|
Nauwkeurigheid van het
meten van endotoxine volgens nieuw ontwerp-NEN voorschrift. Frans
Jongeneelen,
IndusTox Consult André van Osch, Essent Milieu. Tijdschr toegep Arbowetenschap 2003-01 supplement, pp 32-33. Zie
ook handout van powerpoint presentatie Abstract - De juistheid en de precisie van de bepaling van endotoxine in de werkatmosfeer volgens ontwerp-NEN-EN 14031 zijn onderzocht. Drie series gelijke stofmonsters uit composteerbedrijven werden geanalyseerd op endotoxine door drie verschillende laboratoria. Het bleek dat er een aanzienlijk verschil tussen de laboratoria was: maximaal een factor 4,2. De afwijkingen binnen één lab waren beperkt. De conclusie is dat meting van endotoxine door verschillende labs tot aanzienlijke verschillen leidt. Deze conclusie wordt bevestigd door ander vergelijkend onderzoek. Het is nodig om:
Inleiding In
Nederlandse composteerbedrijven wordt de concentratie endotoxine al enige jaren
regelmatig gemeten. De concentratie endotoxine bleek zeer sterk van bedrijf tot
bedrijf te verschillen. Bovendien varieerde de gemiddelde concentratie
endotoxine binnen een bedrijf van jaar tot jaar sterk. Er kon geen duidelijke
verklaring in de bedrijfsvoering gevonden worden. In 2000
is het normblad ontwerp-NEN-EN 14031 getiteld: "Meting van in de lucht
aanwezige endotoxine" uitgebracht. Gezien de slechte ervaring met de
kwaliteit van metingen van endotoxine is door de branchevereniging
"Vereniging van Afval Verwerkers" (VVAV) een onderzoek opgezet en
uitgevoerd naar de nauwkeurigheid van de nieuwe NEN-EN meetmethode voor
endotoxine in de werkatmosfeer. Het doel was het eenduidig vaststellen van de
juistheid en precisie van de bepaling van endotoxine in de werkatmosfeer
uitgevoerd volgens het voorschrift van normblad ontwerp-NEN-EN 14031. Zowel de
tussen-laboratorium afwijkingen (= systematische fout of 'bias') en de
binnen-laboratorium afwijkingen (= toevallige fout of 'random error') zijn
onderzocht. Uitvoering Inhaleerbaar
stof werd gemonsterd op 5 vaste plaatsen in twee verschillende
composteerinstallaties. Op elk meetpunt is in triplo bemonsterd. Dit is gedaan
op 2 dagen waardoor er in totaal drie series van 20 stofmonsters zijn genomen.
Ook werden elke dag 3 veldblanco's meegenomen ter controle. De stofmeting is
verricht volgens voorschrift MDSH 14/2. De stofmonsters werden in drievoud
genomen, door monsterkoppen te gebruiken (IOM-kop) die op onderling gelijke
afstand aan een statiefring van 15 cm doorsnee waren bevestigd. Ter controle
werd terplekke de windsnelheid gemeten. Het
debiet van gekalibreerde pompen werd vooraf en achteraf gecontroleerd. De
stofmetingen op de werkvloer zijn uitgevoerd door een gecertificeerde
arbeidshygiënist van een gecertificeerde Arbodienst. De
hoeveelheid stof in elk van de monsters werd door voor- en naweging bepaald bij
één lab volgens voorschrift MDSH 14/2. Vervolgens
zijn de stoffilters ingevroren en verzonden naar 3 verschillende lab's. Het
laboratorium van IRAS van de Universiteit van Utrecht (IRAS), het laboratorium
van de Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin te Berlijn (BAuA) en
het laboratorium van ASCOR ANALYSE in Breda (ASCOR) zijn nationaal en
internationaal werkende laboratoria en werden geselecteerd voor de bepaling van
endotoxine in de monsters. De drie laboratoria verrichten allen de bepaling van
endotoxine volgens het voorschrift van het normblad ontwerp-NEN-EN14031. Elk
laboratorium heeft de bepaling van endotoxine in duplo of triplo verricht. De
onderlinge vergelijking is met het gemiddelde van deze duplo- of triplo-bepaling
uitgevoerd. De
analyse verliep globaal als volgt: de stoffilters werden na ontdooiing geëxtraheerd.
IRAS heeft het extract opnieuw ingevroren, terwijl ASCOR en BAUA dit niet gedaan
hebben en de analyse direct uitgevoerd hebben. Op ons verzoek heeft ASCOR
eveneens een deel van het extract ingevroren en later bepaald ('na invriezen').
Dit maakt zowel de vergelijking ASCOR - IRAS mogelijk (bepaling na invriezen
extract) als de vergelijking BAUA - ASCOR (bepaling zonder invriezen extract).
De stoffilters voor het BAUA waren per abuis te lang onderweg, waardoor zij bij
aankomst gedeeltelijk ontdooid waren. De monsters konden na aankomst niet direct
verwerkt worden; de stoffilters zijn daarom 6 dagen opgeslagen in een koelkast
voordat de extractie uitgevoerd is. Resultaten Op basis
van de veldwaarnemingen bleken één in drievoud genomen monster en één
enkelvoudig stofmonster niet juist genomen en deze zijn niet verder meegenomen
bij de onderlinge vergelijking. De
windsnelheid lag op alle meetpunten onder de 0,6 m/s. Er is daarom geen reden om
aan te nemen dat er een sterke invloed van de wind op de monsterneming van het
stof is geweest. Tussenlaboratorium
verschillen endotoxine De
resultaten van de analyse van endotoxine in de monsters door de drie lab's,
uitgedrukt als concentratie in de werkatmosfeer, zijn samengevat in tabel 1. De
gegevens zijn per composteerinstallatie gerangschikt. Omdat ASCOR de
concentratie heeft bepaald zowel voor het invriezen van het extract als na het
invriezen en ontdooien van het extract, zijn beide resultaten gegeven. Het
overzicht van tabel 1 laat zien dat er aanzienlijke verschillen tussen de drie
lab's werden vastgesteld. De veldblanco's blijken nauwelijks endotoxine te
bevatten. Om een duidelijker beeld van de verschillen per laboratorium te
krijgen, zijn de resultaten van de lab's tegen elkaar uitgezet: de gegevens van
IRAS tegen die van ASCOR in figuur 1. In figuur 1 is de lineaire regressielijn
aangegeven. Omdat de blanco's nagenoeg nul zijn, is de regressielijn door de
oorsprong getrokken. De hellingshoek van de regressielijn is daarom te
beschouwen als het verhoudingsgetal dat de grootte van de onderlinge verschillen
weergeeft. Tabel 1. Endotoxine (EU/m3)
in 3 gelijke meetseries, bepaald door drie verschilende lab's
Systematisch
verschil van stof op de monsters De
verschillen in de endotoxine concentraties tussen de laboratoria kunnen ook
veroorzaakt zijn door een systematisch verschil in de hoeveelheid stof op de
filters die aan de 3 laboratoria aangeboden zijn. Om na te gaan of dit een rol
speelde, is in tabel 2 de concentratie stof gegeven van de series die naar de 3
laboratoria gezonden zijn. Tabel 2. Concentratie
inhaleerbaar stof in de monsters die naar de 3 lab's verzonden zijn.
De
gegevens van tabel 2 laten zien dat er slechts minimale verschillen tussen de 3
series zijn. In Figuur 4 zijn de stofconcentraties van de serie monsters die
door IRAS zijn geanalyseerd, vergeleken met die van de serie monsters die naar
ASCOR zijn gegaan. Omdat de blanco's zo goed als nul zijn, is regressielijn door
de oorsprong getrokken. De hellingshoek van de regressielijn is daarom te
beschouwen als het getal dat de grootte van de onderlinge verschillen weergeeft.
Deze waarde is = 0,87. Dezelfde waarden van de regressielijn van IRAS tegen BAUA
= 0,89 en ASCOR tegen BAUA = 0,95. Dit betekent dat er kleine systematische
verschillen waren in de 3 series stofmonsters. De verschillen in de hoeveelheid
stof in de monsters die naar de 3 laboratoria gegaan zijn, blijven echter onder
de {(1/0,87) -1} = 0,15 = 15%. De monsterneming van stof verklaart daarom
slechts voor een klein deel de verschillen in de gemeten concentratie
endotoxine. Verreweg de grootste foutenbron is de bepaling van endotoxine in het
stof.
Hoe groot
is de toevallige fout ('random error') van de meting van endotoxine door elk van
de drie laboratoria? Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn op 2 plaatsen in
beide composteerinstallaties 2 monsters in triplo naast elkaar genomen. Op deze
manier hebben we 4 maal een duplo monster naar elk van de drie laboratoria
kunnen sturen. Aan de hand van de waarde van deze duplomonsters is de spreiding
van resultaten binnen een laboratorium vastgesteld. De binnen-laboratorium fout
kan uitgedrukt worden als de relatieve standaarddeviatie = coëfficiënt of
variation[1]
= CV. Deze CV is voor elk van de drie laboratoria berekend en is voor ASCOR,
BAUA en IRAS respectievelijk 17%, 13% en 29%. De CV geeft het totaal van de
spreiding weer in de monsterneming van het stof en de analyse van endotoxine in
het stof. Aangezien de analyses van de duplo's door IRAS op verschillende dagen
zijn gedaan, geeft dit niet alleen de binnen-dag spreiding weer, maar ook de
tussen-dag spreiding. Het is daarom begrijpelijk dat de CV van IRAS groter is.
Normblad NEN-EN 482 stelt eisen aan meetmethoden voor stoffen in de
werkatmosfeer. Het normblad eist een nauwkeurigheid van meetmethoden voor de
werkatmosfeer van 30% in het meetbereik van 50 -200% van de MAC-waarde, dus voor
endotoxine in het gebied van 100 - 400 EU/m3. De nauwkeurigheid van
een meetmethode van 30% is nagenoeg gelijk aan een CV van 15%. De CV van de
bepaling van endotoxine ligt voor 1 van de 3 lab's onder deze grens van 15%. Eén
lab heeft een toevallige meetfout die een factor 2 groter is dan gewenst. De
conclusie is daarom dat de toevallige meetfout van de meting van endotoxine in
de werkatmosfeer nog onvoldoende onder controle is, maar niet dramatisch afwijkt
van de eisen. Discussie
De
systematische meetfout ('bias') van de bepaling van endotoxine in de
werkatmosfeer is groot. Dit onderzoek laat zien dat de concentratie endotoxine
voor een reeks van monsters tot een factor 4,2 (= 420%) kan verschillen tussen
lab's die allen het recente normblad ontwerp-NEN-EN 14031 gebruiken en volgen.
Een klein deel van de fout wordt veroorzaakt door de monsterneming van stof:
deze fout is echter in verhouding heel gering (max. 15% van de totale fout).
Verreweg de grootste foutenbron is de bepaling van endotoxine in het stof. Bij de
bepaling van endotoxine in het stof wordt gebruik gemaakt van een reactie in
biologisch materiaal. Endotoxine wordt namelijk gekwantificeerd met de
gevoelige, maar gemakkelijk beïnvloedbare enzymreactie in de Limulus Amoebocyte
Lysaat-test (LAL-test). Dit maakt dat de methode zeer gevoelig is voor diverse
stoorinvloeden, als kwaliteit van het water, soort filter, het aantal malen
invriezen, de extractievloeistof, etc. De
introductie van een genormaliseerde meetmethode (ontwerp-voorschrift NEN-EN
14031) heeft echter nog niet geleid tot een situatie waarbij verschillende
laboratoria vergelijkbare uitkomst rapporteren. Een
recent Amerikaans onderzoek naar de verschillen tussen laboratoria bij het meten
van endotoxine in katoenstof laat zien dat, zelfs in de tweede fase van de
standaardisatie van de meetprocedure, er nog steeds grote verschillen tussen
resultaten van verschillende laboratoria kunnen worden gevonden (maximaal
verschil is factor 10) (Chun et al, 2001). In een tweede, eveneens zeer recent,
Amerikaans onderzoek worden resultaten van een ringstudie van Europese en
Amerikaanse laboratoria beschreven. Het onderzoek rapporteert dezelfde
resultaten: beperkte binnen-laboratorium fouten, maar verschillen tussen
laboratoria van maximaal factor 10 (Reynolds et al, 2002).
Een kleiner Duits onderzoek laat echter zien dat na verregaande
methodische aanscherping de onderlinge resultaten verbeteren (Linsel, 2002). Biologische
meetmethoden zijn veel gevoeliger voor externe beïnvloeding door stoorfactoren
dan de traditionele analytisch-chemische methoden. Het is daarom absoluut nodig
om veel meer aandacht te schenken aan de nauwkeurigheid en reproduceerbaarheid
van deze biologische meetmethode. Verdere detaillering van het meetvoorschrift
voor endotoxine in het ontwerp-normblad NEN-EN 14031 is dringend nodig, evenals
rigide kwaliteitscontrole. Dit houdt in: (i) er is brede, internationale
overeenstemming over het exacte meetvoorschrift en (ii) er is een accreditatie
van lab's nodig, waarbij door periodieke ringtesten wordt bepaald, welke lab's
voldoen aan de accreditatie-eisen. Conclusie. De meting
van endotoxine, uitgevoerd door verschillende laboratoria volgend ontwerp
normblad NEN-EN 14031, levert niet dezelfde meetresultaten. De toetsing van de
blootstelling aan de MAC-waarde van endotoxine is voorlopig niet mogelijk. Dankwoord. Onze
dank gaat uit naar arbeidshygienisten van ArboUnie ZuidOost die de metingen en
observaties op de verschillende werkplekken hebben uitgevoerd. Referenties
[1] Coefficient of Variation = CV. De CV is gelijk aan de relatieve standard deviatie (RSD) = gemiddelde/SD* 100%. Bij duplobepalingen geldt dat CV = Σ %verschil/n * wortel 2. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||