|
Uit:
Proceedings
NVVA symposium - maart 2003 Chroom in urine van slijpers en
polijsters van een roestvast staal bewerkend bedrijf Frans
Jongeneelen, IndusTox Consult. Tijdschr toegep Arbowetenschap 2003-01 supplement, pp 9-11. Abstract
- Roestvast staal (RVS) is een legering met chroom (Cr) en nikkel (Ni). De
blootstelling aan chroom van constructiebankwerkers, algemene
productiemedewerkers, slijpers en polijsters van een bedrijf dat RVS-beslag
vervaardigd, is onderzocht middels biologische metingen. Het onderzoek wijst uit
dat de opname van oplosbaar chroom bij de productiemedewerkers van dit bedrijf
aantoonbaar, maar beperkt is. Aangezien Cr in lasrook voor een groot deel uit
oplosbaar Cr(6+) bestaat, is de blootstelling van Cr(6+) in lasrook onder
controle. Slijpers en polijsters hebben een nauwelijks verhoogde spiegel van Cr
in urine. Het is echter niet bekend in welke mate het Cr in slijpstof
onoplosbaar is. Het aandeel Cr(6+) in slijpstof is zeer klein. Het kan niet
worden uitgesloten dat deze medewerkers aan onoplosbaar Cr {metallisch Cr of
onoplosbaar Cr(3+)} worden blootgesteld. Deze blootstelling kan niet middels
biomonitoring worden gedetecteerd. Inleiding Een
bedrijf uit de metaalsector maakt hoogwaardig afgewerkt roestvast staal (RVS)
beslag in opdracht van jachtwerven, binnenhuisarchitecten en civiele
aannemingsbedrijven. Producten worden op ambachtelijke wijze en op maat
vervaardigd. Bewerkingstechnieken als lassen,
slijpen en polijsten van roestvast staal worden veel gedaan. Roestvast staal is
chroom-nikkel staal. Bij bewerking van RVS is blootstelling aan diverse
chroomverbindingen mogelijk. Het is bekend dat RVS-lasrook o.a. Cr (6+) bevat.
Cr (6+) is een kankerverwekkend bestanddeel. De
vraag is wat de mate van blootstelling van de werknemers aan chroom(6+) is. De beroepsmatige blootstelling aan de chroomverbindingen kan
vastgesteld worden door de meting van chroom(6+) in inhaleerbaar stof van de
werkatmosfeer. In de praktijk blijkt het meten van chroom (6+) in de
werkatmosfeer zeer gevoelig voor meetfouten. Bovendien zijn de bronnen van
Cr(6+) in het bedrijf zijn niet precies bekend. Omdat
eveneens andere blootstellingroutes dan inhalatie aanwezig waren (inslikken van
met handen in de mond gebracht stof en huidopname via verontreinigde werkkleding),
is ervoor gekozen om aan de hand van de concentratie chroom in urine de
blootstelling te toetsen. Achtergrondinformatie
over biomonitoring van chroom De
urinemetingen geven een beeld van de opname van oplosbaar Cr van de
laatste 2-5 dagen. Er is een achtergrond van chroom in urine. De gemiddelde
concentratie chroom in urine van niet-beroepsmatig blootgestelde personen is 0,2
- 1,0 μg/g creatinine. De bovengrens van niet-beroepsmatig blootgestelden
is 3,0 μg/g creatinine rokers (als 95-percentiel in WHO, 1996). Bij gebrek
aan een Nederlandse biologische grenswaarde voor chroom zijn in tabel 1 de
Duitse en de Amerikaanse grenswaarden voor werkplekblootstelling gegeven. De
Amerikaanse grenswaarde van 30 μg/g creatinine is geldig bij een
luchtconcentratie van 0,05 mg/m3 Cr(6+) bij MMA-lassen van RVS
(ACGIH, 2000). Aangezien de huidige Nederlandse MAC-waarde voor Cr(6+) lager is,
namelijk 0,025 mg/m3 is het beter om in de Nederlandse situatie de
proportioneel verlaagde urineconcentratie als grens te hanteren. De grenswaarde
van chroom in urine bij blootstelling van RVS-MMA lassers ter hoogte van de
huidige MAC-waarde van Cr (6+) komt dan uit op 15 μg/g creatinine. Deze
waarde is daarom als bedrijfsgrenswaarde genomen.
Tabel
1. Te hanteren grenswaarden voor chroom in urine in de arbeidssituatie
Onderzoeksopzet Elke medewerker heeft op twee momenten van een werkweek een urinemonster afgegeven, namelijk voor het begin van de werkweek (op de maandagochtend) en aan het eind van de werkweek (op donderdag- of vrijdagmiddag). Alle productiemedewerkers (algemeen productiemedewerker, constructiebankwerker, slijper, polijster), bedrijfsleiding en het administratieve kantoorpersoneel zijn gevraagd mee te doen aan het onderzoek. De constructiebankwerkers zijn de medewerkers die de laswerkzaamheden uitvoeren. Elke deelnemer heeft een vragenlijst ingevuld met vragen over:
(i) roken;
(ii) gebruik van geneesmiddelen;
(iii) gebruik van alcohol; Voorafgaand
aan het vullen van de urinepotjes is de werkkleding uitgedaan en zijn de handen
gewassen om directe verontreiniging van de urinemonsters te voorkomen. De
urinemonsters zijn koel bewaard. De bepaling van chroom in urine is verricht met
GF-AAS. Ook creatinine is bepaald om te kunnen corrigeren voor verdunning van
urine. De concentraties chroom zijn uitgedrukt als μg/g creatinine. De
concentraties chroom in urine zijn getoetst t.o.v de normaalwaarde en de
grenswaarde. Als de waarde kleiner was dan de detectiegrens is 2/3 van de
detectiegrens genomen. Resultaten
De
urinemonsters zijn verzameld in week 49 en 50 van 2001. Deze weken waren normale
werkweken. Er zijn van 7 kantoormedewerkers (=
controlegroep) en van 18 productiemedewerkers urinemonsters verzameld. De
gegevens van de controlegroep en de productiemedewerkers zijn in tabel 2
vermeld. Tabel
2. Kenmerken van onderzochte medewerkers.
In
totaal werden 45 urinemonsters ingeleverd. Er was één monster met te zeer
verdunde urine (namelijk met creatinine < 40 mg/L). Deze waarde is daarom
niet meegenomen in verdere analyse van gegevens. De
concentratie chroom van de productiewerknemers aan het einde van de werkweek is
vergeleken met die van de controlegroep. De individuele toename over de werkweek
is op dezelfde wijze getoetst. De resultaten staan in tabel 3. Het is duidelijk
dat de eindwerkweek concentratie chroom in urine van de productiemedewerkers
hoger is dan die van het kantoorpersoneel. Er bleek geen stijging van chroom in
urine over de werkweek te zijn, noch in de groep productiemedewerkers, noch in
de controlegroep. De 90%-betrouwbaarheids-interval van het gemiddelde bevat 0
(CI 5-95% = -0,13 tot +0,32, resp.
-0,29 tot
+0,11). Dit betekent dat er geen verhoging over de week meetbaar is. Tabel
3. Chroom in urine van de medewerkers van het onderzochte bedrijf.
**
Wilcoxon-test, p=0,0025 Effect
van andere factoren Vervolgens
is de invloed van roken bekeken. In figuur 2 is de eindwerkweek concentratie van
de rokende en niet-rokende productiemedewerkers weergegeven; Rokers hebben iets
hogere concentraties, maar dit is niet statistisch significant (Wilcoxon-toets,
p=0,22). De literatuur bevestigt dat rokende lassers vaker een hogere Cr spiegel
in de urine hebben dan de niet-rokende collega's (WHO, 1996). Het
resultaat van regressie-analyse waarbij de eventuele invloed van de overige
factoren (leeftijd, drankgebruik, medicijnen) op de concentratie chroom in urine
is onderzocht, is negatief: geen van de overige factoren heeft een effect op de
concentratie chroom in urine.
Toetsing
aan de biologische grenswaarde De
internationale biologische grenswaarden worde bij lange
na niet overschreden. De kans op overschrijding voor de medewerkers met
laswerkzaamheden kan met 2 waarnemingen niet exact berekend worden, maar deze
lijkt zeer veel kleiner dan 5%. Discussie
en Conclusie Bij
de meting van chroom in urine kan niet worden vastgesteld of een verhoging door
opname van Cr (3+) of door opname van Cr (6+) is veroorzaakt; er wordt immers
totaal chroom gemeten. Verder worden alleen oplosbare Cr-verbindingen opgenomen,
dus alleen bij deze blootstelling is de Cr in urine een geschikte maat. Er zijn
dus twee belangrijke factoren die bij de inzet van
Cr-metingen in urine van RVS-bewerkers van belang zijn: oplosbaarheid en
valentie. We weten van deze factoren het volgende, namelijk: 1)
In Amerikaans onderzoek naar de blootstelling van RVS-MMA-lassers is
duidelijk aangetoond, dat RVS-lassers een verhoogde concentratie chroom in urine
hebben. Ook is bekend dat RVS-lasrook ongeveer 60% oplosbaar Cr(6+) bevat
(ACGIH, 2000). Door deze samenhang is de urine-test een geschikte, maar
indirecte methode om de blootstelling aan Cr(6+) bij lassen van RVS te meten. 2)
Slijpstof van RVS bevat chroom, maar nauwelijks tot geen Cr(6+) (Karlsen
et al 1992). Van polijststof van RVS is niet bekend of het stof Cr en/of Cr(6+)
bevat, maar gezien de lagere bewerkingstemperaturen wordt de kans klein geacht.
De licht verhoogde concentratie Cr bij de slijpers wijst erop dat een deel van het
chroom in het slijpstof oplosbaar is. Het is echter mogelijk dat de
oplosbaarheid van Cr in slijpstof minimaal is waardoor het niet tot uiting komt
in de vorm van een verhoogde urine-concentratie. Aangezien
Cr in lasrook voor een groot deel uit oplosbaar Cr(6+) bestaat, is de
blootstelling van de lassende contructiebankwerkers aan Cr(6+) onder controle.
Dat lijkt ook het geval voor slijpers en polijsters, maar het kan niet worden
utgesloten dat slijpen van RVS leidt tot een emissie van onoplosbaar Cr.
Blootstelling aan onoplosbaar Cr kan alleen met luchtmetingen aangetoond
worden. Referenties
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||